De terugkomst

Van de kunstvoorwerpen die tijdens de oorlog uit Nederland naar Duitsland werden afgevoerd, is veel nooit teruggevonden. De meeste kunstwerken die wel werden teruggevonden, waren verborgen in mijnen en afgelegen kastelen. De grootste opslagplaats was de zoutmijn van Alt Aussee in de omgeving van Bad Ischl, waar zo’n 15.000 schilderijen lagen opgeborgen.

Op 11 juni 1945 werd in Nederland de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) opgericht. De SNK was zowel belast met de recuperatie (het terughalen) van kunst uit Duitsland als met de teruggave aan de beroofde eigenaren. Ook moest de SNK voorlopig het beheer voeren over de kunstwerken die overeenkomstig de geallieerde afspraken toekwamen aan de Nederlandse Staat. Op 26 oktober 1945 kwam het eerste kunsttransport, een vliegtuig volgeladen met schilderijen, aan op Schiphol. Met deze feestelijk gevierde gebeurtenis begon de grootscheepse terugkeer van geroofde kunstwerken naar Nederland. Duizenden schilderijen, honderden tapijten, duizenden meubels en kunstnijverheid zijn teruggehaald.

De SNK heeft namens de Nederlandse Staat slechts een deel hiervan aan de rechtmatige eigenaren kunnen teruggegeven. Dit kwam gedeeltelijk door de massaliteit van de hoeveelheid gegevens waarin men een weg moest zien te vinden, maar ook door de strenge bureaucratische en financiële eisen die aan teruggave werden gesteld. Ook bleek het teruggavebeleid van de SNK niet altijd consequent.

In 1950 organiseerde de SNK enkele exposities van gerecupereerde kunstwerken. Uitgestald werden zo’n 2400 schilderijen, 1000 tekeningen en 600 tapijten, alsmede meubelen, huisraad, keramiek en sculpturen. De exposities waren bedoeld voor mensen die van de roof van hun bezittingen aangifte hadden gedaan. Zij werden in de gelegenheid gesteld hun gestolen bezit te herkennen. Lang niet alle claims die hierop volgden, werden gehonoreerd. Van de kunstwerken die bij de SNK overbleven, werden er meer dan 4000 overgedragen aan het rijk en in bruikleen gegeven aan diverse musea of aan representatieve overheidsgebouwen, de rest werd geveild. Na 1952 kwam er nog een enkele maal een claim op overgebleven kunstwerken.