Verkoop voor onderduikers
Tijdens de oorlogsjaren werden kunstwerken verkocht door hun eigenaar om de kosten voor vlucht of onderduik te betalen. Om bij zo’n gedwongen verkoop de zaken te behartigen was een betrouwbare tussenpersoon nodig, zoals de joodse kunsthandelaar Gustav Cramer, die in 1938 uit Duitsland naar Nederland vluchtte. Zelf genoot hij de bescherming van Hans Posse, de directeur van het Führermuseum van Hitler. Volgens zijn eigen getuigenis uit 1950 verkocht Cramer in de oorlogsjaren enkele schilderijen voor een Duits-joodse onderduikster. Bij de verkoop werd ter bescherming van de verkoopster haar naam uiteraard niet in de boeken genoteerd. Helaas kunnen wij daardoor nu niet meer achterhalen wie de vrouw was die deze schilderijen onder druk van de omstandigheden heeft moeten verkopen.